Het meisje dat haar spullen hoorde fluisteren

Er was eens een meisje dat in een huis woonde dat zachtjes zuchtte. Niet van de wind, niet van ouderdom, maar van spullen.
Spullen op planken, spullen in dozen, spullen onder het bed en achter deuren die liever dicht bleven.

Elke ochtend groetten ze haar.
De vaas van oma fluisterde: “Voorzichtig, ik ben herinnering.”
De dure jas zei: “Ik ben wie jij wilt zijn.”
Een kapotte broodrooster bromde: “Jij gaf te snel op.”
En ergens achterin een lade lag een notitieboekje dat piepte: “Ooit zou je mij vullen.”

Het meisje deed haar best om goed voor ze te zorgen. Ze poetste, ordende en rechtvaardigde.
“Deze kan ik niet wegdoen,” zei ze, “want hij kostte veel.”
“Deze moet blijven,” zei ze, “want hij was een cadeau.”
“Deze hoort bij mij,” zei ze, “want hij laat zien dat ik gegroeid ben.”

Maar hoe meer ze luisterde, hoe voller het huis werd. En hoe voller het huis, hoe stiller zijzelf.

Op een avond, toen de maan zich in een lege glazen schaal spiegelde, hoorde ze ineens niets.
Geen gefluister. Geen gemopper. Geen verwachtingen.

Verbaasd keek ze om zich heen.
Alle spullen stonden er nog, maar ze zwegen.
Ze tilde de vaas op. Niets gebeurde.
Ze trok de jas aan. Geen applaus.
Ze bladerde door het lege notitieboekje. Geen verwijt.

Toen begreep ze het.

De spullen hadden nooit gesproken.
Zij had hen haar stem gegeven.

De volgende dag begon ze opnieuw.
Ze pakte elk voorwerp vast en vroeg niet: “Wat zeg je mij?” maar “Wat beteken je nu?”

En wat gebeurde er?
De spullen veranderden zomaar in… spullen.
Sommigen mochten blijven, maakten haar blij.
Anderen gingen weg, deden haar geen pijn.

Het huis haalde diep adem.

Sindsdien bezit het meisje nog steeds dingen.
Maar de dingen bezitten haar niet meer.
En als ze zich soms toch een beetje leeg voelt,
koopt ze geen nieuwe spullen.

Dan gaat ze zitten, maakt thee,
en vult het notitieboekje alsnog.