Her-inneren
Het was haar al een tijd opgevallen: de stad ademde niet meer.
Hij blies geen ochtendlucht door open ramen, geen avondzucht langs de gevels.
Alles stond strak. Mensen, muren, meningen. Alsof er een touw om de stad was gespannen en een onzichtbare hand het steeds iets harder aantrok.
Ze liep er nog dagelijks doorheen, al voelde het alsof haar ruimte elke keer een stukje kleiner werd. Mensen botsten zonder omkijken. Verontschuldigingen waren afgeschaft, glimlachen leek verboden. Ieder voor zich, niemand voor elkaar. Het was niet kwaadheid wat ze zag, maar verdoving. Alsof de stad iedereen langzaam in een ijsklomp veranderde.
Jarenlang was ze een zachte schuilplek geweest voor wie barstte. Haar deur open, haar handen warm, haar blik onverdeeld aanwezig. Groot leed, klein leed, schamel leed—het maakte haar niet uit. Maar de laatste tijd sijpelde er niets meer in haar terug. Ze kon niet meer opladen. De stad nam, maar gaf niet terug.
Zelfs haar hond, die altijd met scherp gehoor langs haar zijde liep, werd nerveus. In elke hoek hoorde hij iets dat er niet was; in elke schaduw voelde hij iets dat niet deugde. Tot hij uiteindelijk niet meer kon rusten. Hij trok, jankte, beefde. Ze nam een hartverscheurend besluit, geboren uit de onrust die de stad in hem had gewekt.
Toen wist ze: het was tijd. Niet omdat ze wilde vluchten, maar omdat ze moest herinneren. Herinneren aan waar ze ooit begonnen was, waar haar wortels lagen. Waar de lucht ruikt naar mos, regen en oude aarde. Waar stilte niet bedreigend is maar voedend.
De jonge leerlingen zouden haar wel vinden, daar maakte ze zich geen zorgen om. Ze hebben een neus voor wat ze zoeken, en soms zelfs voor wat ze nog níét weten dat ze zoeken. Maar ook zij vormden geen aanleiding meer om te blijven. Ze moest de stad loslaten, hoe loyaal ze ook was geweest.
De verhuisweken slokten haar op. Formulieren, afspraken, dozen en haast. Ze deed alles op wilskracht, tot het lichaam niet meer wilde. Toen ze eindelijk het bos bereikte, viel ze bijna van vermoeidheid. Het huis rook naar hout, vuur en tijdloosheid.
Ze wilde niets. Geen thee, geen dekentje, geen bed.
Maar er lag een boek op tafel. Een kinderboek. Over kleine heldinnen die, in hutjes onder de eiken, ingewijd werden door bewaarsters van magische kennis. Ze sloeg het open.
Er ging een zachte trilling door haar heen, zo onopvallend dat ze het bijna niet opmerkte.
Bladzijde na bladzijde voelde ze iets terugkomen.
Niet haar oude kracht — nee, iets dat nóg ouder was.
Iets dat vóór kracht komt: herinnering.
Ze maakte vuur en kookte een stoofpot die rook naar vroeger, naar ooit.
En tussen de sudderende geuren merkte ze dat ze weer ademde.
En hoe het afliep?
Ze draaide zich om in de kamer en zag een meisje op de vloer zitten, verdiept in het boek.
Haar eigen kinderversie — warrig haar, schram op de knie, ogen vol magie.
Het meisje keek op. Ze zei: “Je bent gewoon even vergeten wie je was.”