De leegte inpakken

In het hart van de zomer — als het leven even stilvalt en de lucht zindert van hitte — denk ik soms: dit is het.
Niet als in: dit is het leven. Maar: dit ís het.
Leegte.
De afwezigheid van richting, van houvast.
Waarvan de wijzen zeggen: het is ruimte.
Ik voel vooral: afgrond.

Ik ben bang om op te lossen in het grijs.
Een gezicht te worden dat je vergeet.
Dus zoek ik.
Naar een uitweg, een verhaal, iets met contouren.
Iets dat mij mij maakt.
Maar ergens, dieper, weet ik: het leven is net zo zinloos als zinvol.
En dat het aan mij is om iets te kiezen, erin te geloven, het betekenis te geven.
Tot ik er niets nieuws meer in vind.

Zo beweeg ik. Van idealen naar plannen, van doen naar verlangen.
Soms ben ik gelukkig. Of tevreden. Of even heel erg hier.
Maar dan is daar weer dat gevoel.
Leegte.
Vooral in de zomer, als alles eindelijk even mag rusten.

Ik zou de auto vol kunnen laden.
Met spullen, boeken, plannen, beloftes van vakantie.
Ik zou het ‘opladen’ kunnen noemen. Of ‘ontsnappen’.
Maar inmiddels weet ik: ik neem de leegte gewoon mee.
Netjes opgevouwen tussen de handdoeken.
En in een huisje op een berg, of onder een parasol aan zee,
duikt ze plots weer op.
En lijkt zelfs geluk even zinloos.

Er zijn van die momenten die ideaal zouden moeten zijn.
Alles klopt. De mensen. De plek.
En toch voelt het alsof ik alleen mijn lichaam heb gestuurd.
En mijn ziel toekijkt, vanaf een afstand.

Misschien verlang ik daarom steeds meer naar eenvoud.
Een bestaan zonder lawaai.
Zonder bewijsdrang.
Maar dan komt de angst:
dat ik verdamp.
Dat niemand me meer ziet.
Dat ik geen verhaal meer ben.

En toch zit ik daar.
Om 22.15 uur.
Bij de uilenkast op onze boerderij.
Stil.
Ik wacht.
Tot vader en moeder uil uitvliegen.
Tot hun jongen voor het uilenbord verschijnen.
Die paar minuten zijn genoeg.
Geen leegte. Geen zoeken.
Alleen de schemering. En de beloning van geduld.
Opperste vervulling.
Tot ik erover ga nadenken.
Dan glipt het weg.

Hoe zou het zijn als ik méér zou delen over leegte?
Of mag dat niet?
Wil ik liever iets zijn, ergens voor staan,
zin vinden?
Wat als ik meer twijfel zou tonen?
Minder overtuiging?
Gewoon zou luisteren?
Misschien vinden we elkaar daar —
in een flard, een zucht,
in het nauwelijks benoembare gevoel
van nergens bij horen.
Van oplossen.
Van het verlangen naar minder.

Misschien is de leegte een vriendin.
Eentje die niks zegt.
En niet doet alsof.
Die alleen maar naast me zit.
Zonder oordeel.
En als we durven, misschien —
de plek waar we elkaar werkelijk kunnen vinden.